De tuin van de barones

Cornelia van Brakel trouwde in 1773 met Hans Willem baron van Aylva. Zij woonden deels in Den Haag, deels in Friesland en deels op Waardenburg en Neerijnen. In het huisarchief van Waardenburg vinden we allerlei aanwijzingen dat Cornelia Waardenburg en Neerijnen liet verfraaien en daar intensief bij betrokken was.
In het archief zitten o.a. een ontwerp voor een parkje en een elftal plantencatalogi (uit ca 1800). Het belangrijkste stuk is een aantekeningenboekje met daarin lijsten met planten, afspraken met de tuinbaas, maar ook welke vogels er in de vogelkooien zaten (1787-1792). Het handschrift van het boekje en van het ontwerp is gelijk en komt overeen met een bekend handschrift van Cornelia. Kennelijk was zij dus de sturende kracht achter de verfraaiing van tuin en park.

Door het aantekeningenboekje en het ontwerp voor het parkje krijgen we een aardig beeld van wat haar voor ogen stond met haar tuin. Dit geeft een heel persoonlijke inkijk in tuin en park van Neerijnen aan het eind van de 18e eeuw. Door zo’n aantekeningenboekje leren we de smaak van de tuineigenaar kennen en hoe zij met haar tuin bezig was.
Eigenlijk verschilt dat niet zo veel van hoe veel mensen tegenwoordig nog steeds met hun tuin om gaan. Ook nu worden nog plantencatalogi bewaard, wensenlijstjes gemaakt, wordt bijgehouden wat geplant is en wat er op is gekomen en worden bestellijstjes voor het komende jaar gemaakt. Er worden plannen gesmeed voor herinrichting, schetsjes gemaakt van hoe het moet worden.

Goed gedocumenteerd
In het aantekeningenboekje staan honderden tuinplanten, rozen, moes- en fruitgewassen genoteerd die eind 18e eeuw in de tuin van Neerijnen stonden. De namen zijn in afwisselend Latijn en Nederlands, soms Frans, opgeschreven. Dat die 3 talen gebruikt worden is veelzeggend. In 1735 had Linnaeus een systeem geïntroduceerd waarin alle planten een unieke Latijnse naam kregen, het wordt nog steeds gebruikt. Het is een naamsysteem voor wetenschappers, maar aan het boekje is te zien dat 50 jaar na de introductie ook plantenliefhebbers en kwekers zich al van de Latijnse namen bedienden, want dan wist je tenminste zeker dat je het over dezelfde plant had. Daarnaast bleven Nederlandse namen bestaan en ook Franse, de sociale bovenlaag sprak destijds immers Frans.

Wat leuk is is dat Cornelia soms ook opschreef waar de planten vandaan kwamen. Natuurlijk worden kwekers uit die tijd genoemd, maar kennelijk werden er ook planten uitgewisseld. Zij noemt planten die ze kreeg van Bentink, Constantia, de heer Schonk en de freule Plettenberg. Tuinliefhebbers doen dat nu nog steeds: als jij een mooie plant hebt of een met lekkere vruchten, dan geef je die aan vrienden en kennissen door. Ook meldt ze een enkele keer dat ze een plant uit Den Haag heeft meegenomen of een naar Friesland heeft opgestuurd.

Onderhouden en inrichten
Omdat Cornelia een deel van het jaar niet op Waardenburg en Neerijnen was maakte ze afspraken met de tuinman over wat hij moest doen in haar afwezigheid. Die afspraken schreef ze ook op. Daaruit weten we dat de tuinman Manes heette. Door de aanwijzingen aan de tuinman krijgen we ook meer zicht op onderdelen van de tuin. Er was een bergje, eiland in het Repelse bos, goudvisjesslinger, een oude en nieuwe enterij, moestuin, bruggetje, korenveldje, mestplaats, stal, volière. En er moest een roos geplant worden tegen de biljardkamer.

We lezen zelfs hoe de planten opgesteld waren: tentoongesteld in ‘rondjes’. Er was onder andere een rondje met grasanjers, een met geraniums en een met een Acacia. Ze schrijft dat de hoge planten in het midden moesten staan en de lage er omheen. Planten waren in die tijd een echt verzamelobject, ze werden te pronk gezet, niet als stoffering van een tuin of om een bepaald effect te bereiken. Veel bijzondere planten die uit andere werelddelen kwamen waren ook zeldzaam. In het boekje staan soms aantallen die Cornelia bestelde, maar dan gaat het om 1 exemplaar of hooguit een paar. Cornelia hield de planten ook bij als een verzameling, ze noteerde in het boekje in welk plantvak de planten stonden en er werden bordjes met nummers bij de planten gezet. In het boekje staat ook beschreven of de planten in een pot staan of niet. De ‘rondjes’ waren waarschijnlijk opstellingen van potten met individuele planten.

Die plantvakken zien we ook terug in het ontwerp voor een parkje van haar hand. Van elk vak beschrijft ze wat daar moet komen: bijvoorbeeld een vak berken met daar omheen rozen, vakken met bloemplanten, hakhout met bloeiende boompjes en eenjarigen op de rand, vakken met dennen of lariksen. Het parkje bestaat uit een vijver met daar omheen wandelpaden, in de vijver ligt een eiland met onder andere een treurwilg erop. Het parkje is er nog steeds, het ligt een eindje van Huis Neerijnen af, ingeklemd tussen de dijk en de Dreef. De bloemplanten, rozen en bomen die Cornelia beschrijft zijn er niet meer. Wel is de plek bekend om zijn vele stinzenplanten, waarschijnlijk nakomelingen van planten die Cornelia geplant heeft of meegenomen heeft uit Friesland.

Veel verschillende fruitbomen
Wat opvalt aan de moes- en fruitgewassen in het boekje, is de grote verscheidenheid aan fruitbomen. Cornelia noemt diverse soorten peren, kersen (kers, morel, bigareaux) en druiven. Daarnaast soorten als kwee, moerbei, hazelnoot, walnoot. Appels lijken te ontbreken, maar zullen er waarschijnlijk wel geweest zijn.
Deze diversiteit is typerend voor landgoedboomgaarden, die doorgaans bestaan uit een grote hoeveelheid rassen en soorten, met vaak maar een of enkele per soort. Het doel van een landgoedboomgaard was namelijk om een groot deel van het jaar (vers) fruit op tafel te hebben. Er waren daarom soorten die achter elkaar rijp werden, die wat langer (of heel lang) houdbaar waren of die goed ingemaakt of verwerkt konden worden.

Vogels en eenden

Behalve bijzondere planten waren er ook bijzondere dieren op Waardenburg en Neerijnen. Van het aantekeningenboekje is de achterzijde gewijd aan vogels. Er blijken in het park diverse kooien te hebben gestaan. In deze kooien werden allerhande vogels gehouden, zoals fazanten (goud- en zilverlakens), kanaries, (goud)vinken, korhoenders, poelepetaten (parelhoenders), tortelduiven en gewone kippen.
Ook werden diverse soorten eenden gehouden, die vermoedelijk in de gracht of de vijver verbleven. Cornelia noemt o.a. Carolina-eenden, bergeenden, kwakers, rouwbandjes (kuifeend), smienten, pijlstaarten, Turkse eenden, talingen.
Op een bewaard gebleven prent, toegeschreven aan Rijksbouwmeester P.W. Schonck, uit ca 1805 is te zien hoe de kooien er waarschijnlijk uit hebben gezien. De prent toont het eiland in de gracht bij het huis. Er zijn volières te zien en diverse bomen en struiken.

Heel bijzonder is de vermelding van een goudvisjesslingertje. Goudvissen waren eind 18e eeuw relatief nieuw in Nederland. Er was al sinds de 16e eeuw bekend dat er in Japan en China goud- en zilverkleurige vissen waren, maar de eerste kwamen pas in 1611 in Portugal Europa binnen. De Nederlander Job Baster (1711- 1775) zou ze naar Nederland gehaald hebben en er als eerste in geslaagd zijn ze zelf voort te kweken. Eind 18e eeuw moeten ze nog erg zeldzaam en waardevol zijn geweest. Goudvissen werden vaak gehouden in een soort kleine vijvers met een gemetselde bodem. De goudvissenkom op Neerijnen was kennelijk in de vorm van een slinger.

Ciska van der Genugten
Als Specialist Natuur en Cultuurhistorie brengt Ciska kennis bijeen over de sporen die de mens in het verleden in het landschap heeft achtergelaten, variërend van grafheuvels tot tuinen en parken en van levend tot immaterieel erfgoed. Haar achtergrond is Tuin- en Landschapsinrichting en Biologie.

Alle berichten bekijken