Vleermuis

Vleermuizen zijn de enige zoogdieren die echt kunnen vliegen. Tussen hun staart en de vingers van hun voor- en achterpoten zit een speciale vlieghuid die een soort vleugel vormt. Net als alle zoogdieren heeft de vleermuis een harige vacht. Ze leggen geen eieren, maar baren hun jongen. De kleintjes drinken melk bij hun moeder, net als andere zoogdieren. Ook hebben ze eerst melktanden en pas later hun echte gebit.

Soorten

In ons land leven zo’n twintig vleermuissoorten. Sinds 1973 zijn alle soorten wettelijk beschermd. De meest voorkomende soorten zijn de baardvleermuis, franjestaart, watervleermuis, grootoorvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de laatvlieger.

Goede oren

De vleermuis kun je vooral in de schemer zien. Dan gaat hij op jacht naar insecten. Het diertje ziet slecht in het donker, maar hoort des te beter. Hij gebruikt sonar om te zien. Hij schreeuwt een serie van hele harde, erg hoge piepjes, die voor mensenoren niet te horen zijn. Hij luistert naar de echo en “ziet” zo zijn omgeving en alle insecten die rondvliegen.

In de zomer

Vleermuizen eten insecten die ze in de lucht vangen, op bomen, boven water, tussen planten of op de grond. Het menu van de kleine zoogdiertjes bestaat uit o.a. vliegen, motten, kevers en muggen. Vaak zie je ze in de schemering jagen rond lantaarnpalen. Ze komen bijna overal voor, als er maar genoeg voedsel te vinden is. Zelfs in grote steden en dorpen kun je ze tegenkomen. Bijvoorbeeld in de muren van je eigen huis of die van school! Op zolders of tussen de spouwmuren hebben ze vaak zogenaamde kraamkolonies waar ze hun jonkies krijgen.

Winterslaap

In de winter kunnen vleermuizen niet genoeg voedsel vinden om hun temperatuur op peil te houden. Daarom houden ze een winterslaap om die tijd te overbruggen. Hiervoor moeten zij in de nazomer en herfst veel eten om een vetlaagje op te bouwen. Wanneer het buiten te koud wordt, zoeken de vleermuizen een geschikt plekje voor hun winterslaap. Dat doen ze het liefst in groepen. Sommige soorten zitten dan in (ijs)kelders, bunkers en forten en in Limburg ook in de mergelgrotten. In deze ruimtes is het vijf tot twaalf graden boven nul en meestal erg vochtig. Andere vleermuizen kruipen diep weg in dikke holle bomen. Het lichaam neemt dan de temperatuur van de omgeving aan. Die is meestal 25 - 30 graden lager dan hun normale lichaamstemperatuur. Alle lichaamsfuncties worden op een heel laag pitje gezet. Hoe lager de temperatuur, hoe zuiniger het verbruik van energie. Maar het moet wel vorstvrij zijn, want bevriezen betekent doodgaan.

Als het te koud wordt of de vleermuis wordt gestoord, krijgt hij een signaal om wakker te worden en een veiligere plek te zoeken. Om te kunnen vliegen moet het lichaam worden opgewarmd, wat net zoveel energie kost als een aantal dagen winterslaap. Als dit te vaak gebeurt, verspeelt de vleermuis zoveel reserve dat hij het einde van de winter niet haalt. Daarom zijn veilige overwinteringsplekken met het juiste klimaat en zonder verstoring van groot belang.

 

 

 

 

 

 

 

Vleermuizen bij Geldersch Landschap & Kasteelen

Op de terreinen en in de gebouwen van Geldersch Landschap & Kasteelen komen in de winter zes vleermuissoorten voor: baardvleermuis, franjestaart, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en gewone dwergvleermuis. Ze overwinteren in en bij de kastelen Rosendael, Hoekelum, Batenburg, Hernen, Nederhemert, Waardenburg en Biljoen, en op de landgoederen Mariëndaal, Vijverberg, Warnsborn, Staverden en De Voorst.

Meer informatie

In dit artikel, op Vleermuisnet en Willem Wever (Waarom hangen vleermuizen altijd op hun kop?) vind je nog veel meer informatie die je kunt gebruiken voor je spreekbeurt.